Omzwervingen door het Rügenland | In de voetsporen van Johann Jacob Grümbke | Deel 3
„Vanaf de Rugard keerde ik mijn blik naar het noorden, naar een andere berg in de buurt, die bijna even hoog is, een kegelvorm heeft en bedekt is met heide. … De verscheidenheid in de eenheid, de uiterste orde, de volmaakte harmonie in schijnbare willekeur, dat wil zeggen de bewonderenswaardige verbinding van het grote met het kleine, van het wilde met het zachte, enzovoort. Dit is wat de essentie van de schoonheid van de natuur uitmaakt.”
Johann Jacob Grümbke, Bergen, 3 september 1803
In 1805 verscheen „Streifzüge durch das Rügenland“. In brieven aan een vriend beschrijft Johann Jacob Grümbke, zoon van een arts uit Bergen, huisleraar en zelfgeleerde, op levendige en onderhoudende wijze, direct na zijn wandelingen door het eilandlandschap, de verscheidenheid van zijn indrukken en belevenissen. Hij is geïnteresseerd in de natuur en het landschap, de lokale geschiedenis, de zeden en gebruiken van de bewoners. Het steeds wisselende spel van kleuren en vormen in de natuur, waargenomen vanaf de talrijke uitkijkpunten, inspireert hem tot het maken van aquarellen en pen- en inkttekeningen. Hij heeft dit boek geschreven „om nuttig te zijn voor zijn tijdgenoten, en deels ook om voor het nageslacht een gedenkteken op te richten dat hen kan leren hoe Rügen er in de tijd van onze voorvaderen uitzag.“
220 jaar later willen we tijdens verschillende wandelingen in de voetsporen van Johann Jacob Grümbke de verschillende landschapssferen van Rügen waarnemen en beleven.
Deel 3 | Rugard
