Toneelstuk van de twaalfde klas van de Vrije Waldorfschool in Schwerin, vrij naar „De kleine prins“ van Antoine de Saint-Exupéry.
In dat jaar breidde de zon de woestijn uit. Ze scheen op de zandvlaktes, temidden van de botten, de verdroogde doornen en de doorzichtige huiden van dode hagedissen. Een piloot stort neer.
Alleen in de woestijn, zonder water, zonder uitzicht op redding. Tussen dorst, hitte en droogte verandert de woestijn in een oceaan; uit de eenzaamheid ontstaat een kleine prins. Heden en herinnering, nuchterheid en hallucinatie, vliegen en vallen, terwijl de woestijn zich daartussen manifesteert als een plek van verdwijnen en verschijnen.



